Selecteer een pagina

In de poging om zichtbaar te maken wat er bij rouwenden gebeurd, wordt er al decennia verschillende modellen geschreven en hierover gediscussieerd.

De meest bekende en hierbij dus ook de meest ‘oudste’ model is dat van Kübler-Ross (1969). Het lineair fasemodel. De rouwende zou de fasen van ontkenning, marchanderen, boosheid, verdriet, wanhoop en acceptatie doorlopen. In eerste instantie werd dit ontworpen voor mensen die stervende waren en later werd deze toegepast op andere soorten verlies zoals verlies van werk, relatie en land.
Het meest voorkomende kritiek op dit model is dat men rouw pas ‘goed’ doorloopt wanneer die begint in de eerste fase, deze vervolgens volledig afrond voordat die doorgaat naar de volgende. Je kunt je vast voorstellen dat als je het idee hebt dat je hierin iets niet ervaart of anders doet dan beschreven, je het idee hebt dat je het niet ‘goed’ doet.

Worden (1992) beschreef in zijn Rouwtakenmodel 4 taken die rouwenden moeten uitvoeren. In de loop van de jaren is dit model door Fiddelaers-Jaspers aangevuld met een nulde taak.

Rouwtaak 0: opvoeden in leven en dood.
Rouwtaak 1: laten doordringen dat die ander echt dood is.
Rouwtaak 2: omgaan met een wirwar aan gevoelens.
Rouwtaak 3: verder leven met het gemis.
Rouwtaak 4: het weefsel van het leven opnieuw weven. Hoe verder te leven, is de vraag.

Wanneer iets een opsomming of volgorde heeft, ligt de kritiek op de loer dat je iets op een bepaalde manier en/of volgorde moet doen/doorlopen.
Als iets duidelijk is over rouw en verlies is dat iedere situatie en hoe de persoon die het overkomt ermee omgaat, anders is.
Over de inhoudt van deze rouwtaken is verder niet veel op aan te merken en blijft het een helpende tool voor velen.

Stroebe (1999) beschreef het duale procesmodel, ook wel bekend als het slingermodel en mijn persoonlijke favoriet om te gebruiken als leidraad.
In dit model wordt het verwerkingsproces voorgesteld alsof een roeier met twee roeispanen probeert om de boot in beweging te krijgen.
Er is afwisselend aandacht nodig voor verlies en voor herstel. Waar het om gaat is dat we tijd nemen voor de pijn en tijd nemen om er niet mee bezig te zijn en afleiding te zoeken.

Ter Horst (2004) beschreef het verliesverwerkingsproces als het zoeken in een doolhof. En zo werd het Doolhofmodel geboren.
Degene die verlies ondervindt, weet de weg niet te vinden. De uitgang is moeilijk te vinden en vaak komen mensen op plaatsen waar ze al eerder zijn geweest. Het kritiek hierop was gericht op dat er een ‘uitweg’ zou zijn bij rouw en verlies. Wie bepaalt deze uitweg? Wanneer heb je deze gevonden?

Een bekende naam binnen de rouw en verlies is die van Riet Fiddelaers-Jaspers. Zij heeft in 2000 een model geschreven dat lijkt op het Doolhofmodel.
Zij noemt het Land-van-rouwmodel. Hier wordt verlies voorgesteld als een storm, een natuurverschijnsel of een natuurramp. Het verlies brengt je in het land van rouw waar je jezelf enorm tegen komt.

Verthriest en Maes (2017) hebben het DNA-model van Rouw gemaakt. Wat een driedimensionaal rouwmodel is. De grondslag achter dit model is dat rouw verweven is in ons DNA en dat er altijd een wisselwerking is met onze omgeving. De drie dimensies die worden aangehaald zijn: de dimensie van de hechtingsrelatie, de dimensie van het verlies en de dimensie van het verder leven met het gemis.

In de kern komt het eigenlijk wel allemaal op hetzelfde neer. Mensen die te maken krijgen met verlies en rouw voelen zich een bepaalde periode overmand, verloren. Hun leven is door het verlies niet meer zoals het was en er ligt dus een taak om het nieuwe leven vorm te geven.
Vaak wordt gedacht dat in dit nieuwe leven geen plek is voor datgene/diegene die is verloren.
Echter is het verlies, of beter gezegd de liefde die je voelt voor datgene/diegene, van dusdanig belang (want anders ervaar je geen rouw) dat dit een onmogelijke taak is. Daarom is het de kunst om dit verlies te verwerven in je nieuwe leven.

Gerelateerde artikelen